Definify.com

Definition 2024


doorkruisen

doorkruisen

Dutch

Pronunciation

  • IPA(key): /doːrˈkrœy̯sə(n)/

Verb

doorkruisen

  1. (transitive) to go across, travel across
  2. (transitive) to compass (go about or round entirely)
Inflection
Inflection of doorkruisen (weak, prefixed)
infinitive doorkruisen
past singular doorkruiste
past participle doorkruist
infinitive doorkruisen
gerund doorkruisen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular doorkruis doorkruiste
2nd person sing. (jij) doorkruist doorkruiste
2nd person sing. (u) doorkruist doorkruiste
2nd person sing. (gij) doorkruist doorkruiste
3rd person singular doorkruist doorkruiste
plural doorkruisen doorkruisten
subjunctive sing.1 doorkruise doorkruiste
subjunctive plur.1 doorkruisen doorkruisten
imperative sing. doorkruis
imperative plur.1 doorkruist
participles doorkruisend doorkruist
1) Archaic.

Etymology 2

From door + kruisen.

Pronunciation

  • IPA(key): /ˈdoːrkrœy̯sə(n)/

Verb

doorkruisen

  1. (transitive) to cross out
Inflection
Inflection of doorkruisen (weak, separable)
infinitive doorkruisen
past singular kruiste door
past participle doorgekruist
infinitive doorkruisen
gerund doorkruisen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kruis door kruiste door doorkruis doorkruiste
2nd person sing. (jij) kruist door kruiste door doorkruist doorkruiste
2nd person sing. (u) kruist door kruiste door doorkruist doorkruiste
2nd person sing. (gij) kruist door kruiste door doorkruist doorkruiste
3rd person singular kruist door kruiste door doorkruist doorkruiste
plural kruisen door kruisten door doorkruisen doorkruisten
subjunctive sing.1 kruise door kruiste door doorkruise doorkruiste
subjunctive plur.1 kruisen door kruisten door doorkruisen doorkruisten
imperative sing. kruis door
imperative plur.1 kruist door
participles doorkruisend doorgekruist
1) Archaic.

Anagrams